|
Samenvattingen en uitgebreidere tekst van de lezingen van het 4e lustrum van onze Kring: Naar de hoofdpagina Nederlandse Kring Joodse genealogie
■ Archiefonderzoek in de toekomst
Maar toen de heer Italiaander me specifiek vroeg in te gaan op de digitale ontwikkelingen in het archiefonderzoek was die twijfel weggenomen, want daar weet ik gelukkig wel het een en ander van en ik vind het erg leuk daar over te mogen vertellen.
Vandaar dat ik hier toch sta en ik heb ook mijn best gedaan mijn verhaal te illustreren met voorbeelden uit het Joodse geschiedenis. Ik wil u in het komende half uur vertellen over, en vooral ook het veel laten zien van, digitaal archiefonderzoek. Ik zal beginnen u te laten zien wat er nu zoal mogelijk is, want dat is al heel wat. Daarna vertel ik wat u in de toekomst kunt verwachten.
Homepage website Hier ziet u de homepage van onze website. Op dit moment zijn er in ons archief nog paar oudere digitale zoeksystemen in stand alone versies, maar die worden nu zo snel mogelijk omgezet naar websystemen, want één van de belangrijkste voordelen van het digitale tijdperk is toch juist dat de informatie overal ter wereld en 24 uur per dag bereikbaar kan zijn. Daarom willen we hier in het Stadsarchief dat digitaal ook betekent via onze website.
Op de site is van alles over ons nieuwe gebouw te vinden, staan webtentoonstellingen en lespakketten voor scholen, maar waar uw interesse vermoedelijk het meest naar uit zal gaan zijn de online zoek- en raadpleegsystemen: de Archiefbank, de Beeldbank en de Bibliotheek.
Onze ambitie is dat u alle documenten uit de archieven en collecties die openbaar zijn en vrij van rechten via onze site thuis kunt raadplegen. Dat lijkt misschien een verre toekomstdroom, maar het is dichter bij dan u denkt.
Laten we nu maar beginnen te kijken wat er op dít moment al mogelijk is. Ik begin met de Beeldbank.
Beeldbank Voor genealogen is een Beeldbank niet het belangrijkste onderdeel van de zoeksystemen en onze Beeldbank is al jaren online en daar door vrij goed bekend, maar omdat er dit jaar wat handige functionaliteiten aan zijn toe gevoegd wil ik die toch even demonstreren. Stel u schrijft een boek en bent voor de illustraties op zoek naar mooie afbeeldingen van de Amsterdamse synagogen. Dan is het niet gek te zoeken op het woord synagoge.
Zoekvraag: synagoge Dat levert op dit moment niet minder dan 436 afbeeldingen op, en dat worden er natuurlijk alleen maar meer. Heel leuk om allemaal te bekijken en 436 kan ook nog wel, maar als u het wat veel vindt is er hier rechts een handige filter toegevoegd. Daarmee kunt u het resultaat beperken tot bijvoorbeeld afbeeldingen van alleen de Portugese synagoge of alleen de Hoogduitse synagoge. Het aantal afbeeldingen dat u krijgt staat er achter. U kunt ook kiezen voor alleen foto’s of alleen tekeningen, of nog een andere filter gebruiken. En wilt u liever selecteren op basis van het beeld dan is een snel overzicht met heel kleine thumbs handig. Daarvoor is deze knop hierboven. Die geeft 48 plaatjes in één keer, dat gaat ook heel snel.
Maar behalve snel en doelgericht zoeken is dit systeem ook heel geschikt om gezellig door plaatjes te bladeren. De Beeldbank bevat niet alleen foto’s van straten en gebouwen. Er zijn ook heel veel foto’s van het dagelijks leven. Ik zal een paar voorbeeldjes geven die bij mij opkwamen voor deze morgen Zoekvraag: loofhuttenfeest (12 foto’s), koosjer (55 foto’s)
Ik wil nu de Beeldbank verlaten en naar de Archiefbank gaan, want dat is voor genealogen het belangrijkste onderdeel van onze archieven online.
Via homepage
naar Archiefbank
Ik wou liever naar de genealogische zoeksystemen. Dat zijn indexen op naam. De meest gebruikte index is die op de Gezinskaarten. Dat is de complete bevolkingsregistratie van Amsterdam tussen 1893 en 1939. Er zijn in totaal ongeveer 600.000 gezinskaarten en sinds enkele maanden zijn ook alle scans online verkrijgbaar. Omdat de kaarten aan twee kanten beschreven zijn, gaat het om ruim 1,2 miljoen scans.
Ik zal even laten zien hoe het zoeken en bekijken van de scans gaat. Hier in het Stadsarchief is dat dus gratis en thuis kunt u wel gratis zoeken, maar niet gratis raadplegen:
Zoekactie Cohen – (952 gezinskaarten, 92 marktkaarten, 9 geboorteregister) Er zijn in totaal 952 kaarten van gezinshoofden met de naam Cohen. Klik ik bij ‘afbeelding’ op ja, dan opent zich de scan. Met deze knop links kunt u inzoomen, met de knop ernaast het contrast bewerken en hiermee kunt u de scan downloaden in pdf.
Ik sluit de scan nu af. Bij de marktkaarten werkt dat precies hetzelfde.
Ook bij de doopregisters zijn de scans direct online verkrijgbaar, maar de betekenis van deze index is voor joods genealogisch onderzoek gezien het onderwerp niet zo groot. Het gaat immers om doopregisters van voor 1811. Er is echter in deze serie ook één, eind 18de-eeuws geboorteregister van de Portugees-israelitische kerk opgenomen en er zijn ook kinderen van gemengde huwelijken gedoopt werden. Dus laten we toch even kijken.
Een index uit deze zelfde periode voor 1811 die voor joods onderzoek veel belangrijker is, is deze index op de Kwijtscheldingen. Een kwijtschelding is een akte die ten overstaan van Schepenen werd opgemaakt bij de overdracht van onroerend goed.
In het blad Misjpoge stond deze zomer een artikeltje naar aanleiding van een prachtige grafsteen over de joodse koopman Alexander Samuel Kijser. Het artikeltje is gebaseerd op een testament uit 1699 en een boedelscheiding uit 1728 uit het protocol van notaris Schabaalje. Kijser, zo blijkt uit zijn testament, was een welgesteld koopman met 2 woonhuizen in zijn bezit in de Amstelstraat en in de Rapenburgerstraat, dus grote kans dat we zijn naam ook in de kwijtscheldingen tegenkomen. Laten we maar eens kijken. Met 3 namen en ook nog eens 2 straatnamen moet dat lukken.
Kwijtscheldingen: Alexander / k*ser Het is voor 1811, dus de namen kunnen op allerlei manieren geschreven zijn. Ik begin met de voornaam Alexander, die is tamelijk concreet, maar de achternaam Keizer is natuurlijk een probleem. Er kunnen varianten zijn met de ij, korte ei, lange ij, en ook de combinatie e en ij zie je vaak en die varianten kan je weer koppelen zowel een s als een z. Omdat ik al een voornaam heb, kan ik wat de achternaam betreft gemakkelijk werken met een wildcard.
Ik denk dat degenen onder u, die gewend zijn aan digitaal onderzoek het begrip ‘wildcard’ intussen wel kennen, maar het kan op verschillende manieren zijn gebruikt. In onze zoeksystemen kun je zowel de * gebruiken als het ?. Een ? staat voor precies 1 onbekende letter en een * voor meerdere onbekende letters, dus we gebruiken hier de *.
En jawel, in één keer raak. Een kwijtschelding uit 1704, dus 5 jaar na het maken van het testament en 13 jaar voor zijn overlijden. Dus nog een bron over deze koopman in het archief, ik weet niet of de schrijver van het artikel onder u is, maar anders moet u het hem maar even doorgeven. Overigens zijn deze kwijtscheldingsregisters nog niet gedigitaliseerd, dus voor de raadpleging hiervan moet u nog langskomen of per brief prints bestellen.
Dat zoeken met wildcards en op verschillende velden tegelijkertijd is iets waar je een beetje mee moet leren spelen. Er is niet één recept voor. Je moet gewoon uitproberen. Het kan zijn dat je opbrengst veel te groot wordt of dat je juist helemaal niets meer krijgt. En wat iemand te veel of te weinig vindt is ook heel persoonlijk. Wil je iets vreselijk graag hebben, dan ben je bereid een grotere opbrengst door te nemen, heb je tijd genoeg, dan is een beetje bladeren door zo’n opbrengst ook best leuk. Het kan je soms onverwachte vondsten opleveren. Maar aan de andere kant kan het ook leiden tot huiselijke oorlogen als je helemaal niet meer achter de computer vandaan komt. Kortom, heel persoonlijk dus.
Als ik in dit zoeksysteem alleen gezocht zou hebben op K*ser, dan krijg je 1123 records. Dat is toch tamelijk veel. Zou ik gezocht hebben op de hele naam Alexander Samuel, ja pech dan, helemaal niks gevonden, want hier staat hij te boek als Samuels. Het motto is dus: niet te snel opgeven en slim gebruik leren maken van die combinatie en wildcards.
Het kan echt leiden tot vondsten waar je jarenlang naar op zoek bent geweest. Harmen Snel, zoals u weet een zeer ervaren genealoog, heeft mij vaker voorbeelden genoemd van vondsten dankzij de digitale zoeksystemen, waar handmatig jarenlang naar was gezocht. En dat komt dan door ingenieuze combinaties van zoeken op één of meerdere velden gecombineerd met wildcards en fuzzy zoekacties. Het denken moet je als onderzoeker zelf blijven doen en aanpassen aan de nieuwe mogelijkheden, maar het snel en foutloos zoeken door gigantische hoeveelheden informatie, dat doet de computer vele malen sneller.
Inventarissen Ik wil nu van de indexen overstappen op de inventarissen. De inventarissen van het Stadsarchief zijn al enkele jaren online doorzoekbaar. Het zijn er een paar duizend en ze staan hier allemaal in een alfabetische lijst. Ik laat u de inventaris van het archief van de Portugees-Israelitische gemeente zien. U ziet in deze lijst dat het archief van de Portugees Israelitische gemeente in Curacao nog niet is geïnventariseerd en dat ook deze aanvulling nog op inventarisatie wacht, maar het hoofdarchief is geïnventariseerd.
Inventaris Portugees Israelitische gemeente Dit is de inventaris en via deze twee knopjes hierboven kunt u naar de inleiding gaan of naar een pdf-versie van de inventaris. Ik zei u al dat de inventarissen al enkele jaren online zijn, maar wat pas in deze zomer online is gekomen is de mogelijkheid om via de inventaris óók scans te bekijken. Nog lang niet alles is gedigitaliseerd, maar hier ziet u van welke inventarisnummers scans beschikbaar zijn en hoeveel dat er zijn. Laten we maar eens wat bekijken.
Archief gemeente Bet Jacob invnrs 6-8 Dit zijn 3 registers met namen van degenen die vrijwillige of verplichte bijdragen hebben betaald. U ziet het hele boek, inclusief de kaften is gescand. Hier boven staat hoeveel scans er in het inventarisnummer zitten, met deze schuif kan je ze alle 191 voorbij laten komen. De mouse-over geeft een eerste indruk, maar om te lezen moet u openen. Nogmaals dat kan alleen hier in huis gratis, thuis moet u betalen. Maar de kosten zijn redelijk. Als u dit hele inventarisnummer met 191 scans wil doorzoeken kost u dat nog net geen € 40,- Dat is natuurlijk niet niks, maar reken eens wat u uitgeeft aan reiskosten, kopjes koffie, kopietjes, dan tikt dat ook aan voordat u alle 191 pagina’s bij ons in de studiezaal heeft doorgewerkt. U hoeft overigens niet het hele nummer te kopen, als u hier hebt opgezocht op welke scan de gegevens staan die u zoekt kunt u ook een enkele scan kopen.
Dat laatste is trouwens een lastig punt, zeker bij genealogisch onderzoek. Bent u geïnteresseerd naar het leven van één persoon en is er een dagboek, ja dan leest u dat natuurlijk van voren naar achteren door, maar voor genealogisch onderzoek heb je in zo’n register vaak maar één enkele pagina nodig, en dan koop je liever niet het hele boek.
Eén zo’n pagina kopen kan alleen als er een namenindex is en namenindexen zijn er natuurlijk nog niet veel beschikbaar. Maar daar zal snel het één en ander aan veranderen denk ik, daar kom ik straks op terug.
Eerst wil ik nog even met u door deze inventarissen zoeken, want via de alfabetische lijst werk je in de praktijk eigenlijk maar zelden. Je weet immers meestal niet precies in welk archief je moet zijn. Daarom is er dit zoekvenstertje hier rechts.
Hier kunt u zoeken op alle termen die voorkomen in de archiefinventarissen (let op: u kunt helaas niet zoeken in de stukken zelf en niet in de scans). U kunt zoeken op namen, maar de kans is maar klein dat u op die manier iets vindt. Interessant is bijvoorbeeld te zoeken op type bronnen die belangrijk voor uw onderzoek kunnen zijn. Denk aan leerlingenadministratie, schoolrapporten of bijvoorbeeld paspoortaanvragen.
Laten we dat laatste maar eens proberen. Ook hier is werken met wildcards natuurlijk weer aan te bevelen.
Zoekactie: paspoort* Opbrengst is een lijst met inventarissen waar het paspoort* in voorkomt. Het zijn er in totaal 64. Laten we maar eens kijken in het archief van de Secretarie, daar zijn paspoortaanvragen immers te verwacht. Politie zou trouwens ook interessant kunnen zijn, maar laten we de secretarie nemen.
De inventaris opent en het woord paspoort is geel gemarkeerd. We zien eerst een aantal inventarisnummers met besluiten, nog niet gedigitaliseerd, want er staat aanvragen naast. En dan hier, op nr. 7296 wat we zochten: paspoortaanvragen, 201 dozen, helaas nog niet gedigitaliseerd. Wel al gedigitaliseerd zijn deze nrs: Aanvraagformulieren van Joodse voor paspoorten, 1941-1944. Laten we daar eens kijken.
Erdoor heen bladerend zie je dat het vermoedelijk een vrij onvolledig geheel betreft. Het gaat vooral om paspoorten voor mensen uit Duitsland en Polen. Behalve aanvragen zijn er ook bewijzen van inschrijvingen in het bevolkingsregisters, bewijzen van goed gedrag en dat soort bijlagen, en een enkele foto.
De er op volgende inventarisnummers, lijsten met legesinkomsten van Joodse emigranten zijn niet gedigitaliseerd. Er naast staat in uitnodigende rode letters: aanvragen. Ga ik er met de muis overheen, dan ziet u dat het gaat om het aanvragen van digitalisering, niet om het aanvragen van originelen voor de studiezaal. Klik ik er op dan word ik eerst verwezen naar de uitleg over de werking van de archiefbank en kan ik verder klikken voor ja of nee. Klik ik op JA dan krijg ik na een aantal dagen een berichtje per mail waarin staat of mijn aanvraag gehonoreerd kan worden, en na een dag of 10, of als het druk is of er gaat iets mis na een paar weken, krijg ik een mailtje dat de scans online zijn. En dan pas kan ik de thumbs bekijken en eventueel besluiten of ik ook iets wil gaan kopen.
Op basis van deze aanvragen maken wij per week ongeveer 10.000 scans. Wordt er minder aangevraagd, dan vullen we zelf aan, wordt er meer aangevraagd, dan beslissen wij welke aanvragen eerst gehonoreerd worden. Let op: aanvragen is niet hetzelfde als bestellen. Dat heeft voor u het voordeel dat u niet verplicht bent alle scans ook te kopen en voor ons het voordeel dat we niet verplicht zijn binnen een bepaalde termijn te leveren. Maar tot op heden kunnen we alle aangevraagde scans ook leveren. Er zijn technisch nog wel eens wat haperingen, maar dat is ook te verwachten bij een zeer complex systeem als dit. Het zal zeker nog een jaar duren voordat alles helemaal vlekkeloos verloopt.
Ik had u aangekondigd dat ik deze presentatie zou besluiten met een blik in de toekomst, antwoord op de vraag wat u in de komende tijd kunt verwachten. Voor de komende jaren is dat antwoord heel simpel. U kunt vooral meer van hetzelfde verwachten. Meer foto’s in de Beeldbank, meer inventarissen en scans in de Archiefbank en vooral ook meer indexen.
Want indexen op naam is toch vooral waar u als genealoog behoefte aan hebt. In de afgelopen jaren zijn er 6 van deze indexen online gekomen, gemiddeld 1 index per jaar. Als je ziet dat daardoor echt miljoenen namen online zijn gekomen, dan is dat, zeker in vergelijking met vroeger, beslist geen slecht resultaat.
Maar u wilt meer en er kan ook meer. Dankzij de scans kan het maken van indexen tegenwoordig uitbesteed worden. De originele documenten hoeven de deur niet meer uit. De gegevens worden ingevoerd in landen waar ze wel de letters maar niet de taal kunnen lezen en waar ze daardoor des te minder fouten maken. En als je zeker wilt weten dat het foutloos is, laat je de gegevens dubbel invoeren en de computer controleren of er fouten zijn gemaakt. Dat kost natuurlijk meer, maar blijft relatief goedkoop.
Ik verwacht dat er het komende jaar niet 1 maar zeker een stuk of 5 indexen met hun scans online zullen komen: grotere indexen en kleinere. Heel omvangrijk is de index op de archiefkaarten van de persoonskaarten uit de periode 1939-1964. Verder zijn er indexen in de maak op de boedelpapieren van het burgerweeshuis en op 19de eeuwse registers van gevangenen. Bij het programma Erfgoed van de Oorlog is een aanvraag ingediend voor het maken van een index op alle paspoortaanvragen uit de oorlogsperiode en op de staten van in Duitsland tewerkgestelde arbeiders. En er zijn nu ook archiefvormers die hun archief bij ons onderbrengen en digitaliseringsbudget hebben.
Daarnaast hebben we ook verschillende indexen aangeboden gekregen die particulieren in het verleden hebben gemaakt. Maar de omzetting van de gegevens in zodanige vorm dat wij ze kunnen inlezen in onze systemen is nog wel een hele klus. Toch is dit natuurlijk ook een ontwikkeling die hoge vlucht kan nemen. We willen heel graag met onze klanten, met u dus, op dit gebied samenwerken. Als u persoonlijk of met een organisatie scans koopt van een bepaald archiefbestand en u maakt daar een index op en wij kunnen die gegevens plaatsen dan valt u eeuwige roem ten deel (we schrijven er bij wie de index heeft gemaakt) en u krijgt van ons de kosten van de scans retour. Wilt u aan zo’n project beginnen, overleg dan van te voren met ons zodat we samen naar de gegevensstructuur kunnen kijken, zodat u zelf en wij met de resultaten kunnen werken. Dat scheelt een hoop gedoe met conversie, en u weet zeker dat u niet voor niets werkt.
De tekst van de lezing: Toch is mijn komst naar deze bijeenkomst van genealogen hoop ik niet helemaal overbodig want ik hoop u vandaag een beeld te kunnen geven van wat u als genealoog dan wel van onze documentencollectie kunt verwachten. Daartoe zal ik allereerst een grove schets geven van wat onze documentencollectie inhoudt om vervolgens aan de hand van twee voorbeelden te laten zien wat er dan wel mogelijk is. De documentencollectie van het Joods Historisch Museum is nog altijd groeiende en omvat momenteel ruim 11000 inventarisnummers. Ons verzamelgebied is heel ruim en omvat feitelijk alles wat betrekking heeft op de geschiedenis van de joden in Nederland. Dat kunnen familie- of persoonsarchiefjes zijn, maar ook dagboeken, brieven, achttiende-eeuwse pamfletten of besnijdenisregisters. Deze ruim 11000 documenten strekken zich in tijd uit van de 17e tot en met de 21e eeuw. Vijf documenten uit de 17e, 212 uit de 18e, 1345 uit de 19e, 8768 uit de 20e en inmiddels 64 uit de 21e, deze laatste verzameld in het kader van wat heet ‘hedendaags verzamelen’. Bij het verzamelen letten wij als museum uiteraard vooral op de museale waarde van de documenten. Zijn ze geschikt om iets te vertellen over de geschiedenis van de joden in Nederland? Zien ze er een beetje mooi uit? Dat neemt niet weg dat die documenten ook inhoudelijk interessant zijn en ons heel wat kunnen vertellen over de levens van individuele personen. En daar zit wellicht het sterke punt van deze verzameling: de vaak intieme blik die zij biedt op het leven van die individuele personen. Ook zit vooral daarin, denk ik, de waarde die deze verzameling kan hebben voor genealogische onderzoekers, mits hij of zij het geluk heeft in onze collectie die personen aan te treffen die voor die onderzoekers van belang zijn. Als dat echter zo is dan kan dat voor sommigen een schat aan gegevens opleveren die de gebruikelijke genealogische bronnen als geboorte-, trouw- en sterfakten niet kunnen opleveren.
Een voorbeeld van de mogelijkheden en
onmogelijkheden van genealogisch onderzoek aan de hand van onze
documentencollectie vormt het familiearchief De Pinto. Het archief, dat onder andere bestaat uit minuten van notariële akten, brieven, dagboeken en genealogische aantekeningen, geeft als geheel een boeiend beeld van het leven van een rijke sefardische familie in Nederland van de zeventiende tot en met de twintigste eeuw. Zonder aanvullend onderzoek in openbare archiefbewaarplaatsen (zoals bijvoorbeeld in notariële archieven) geeft het echter geen volledig beeld van de familiegeschiedenis. De respectievelijke beheerders van het archief lijken zich in hun verzamelbeleid vooral op de rechte mannelijke lijn te hebben toegespitst. Hoewel het archief dus zeker geen volledig beeld geeft van de geschiedenis van de familie De Pinto, levert het toch heel wat interessante informatie op over de geschiedenis van deze Portugees-joodse familie. Zo geven de vele genealogische aantekeningen van Mozes Lodewijk de Pinto en Jacob Benjamin de Pinto (1809-1886) veel aanvullende informatie die niet uit de nog bestaande stambomen van de familie zijn af te leiden. Een ander document uit dit archief waar ik de aandacht op wil vestigen is een lijst van toneelstukken die ten huize van Jonkheer Mozes Salvador (1748-1824) werden opgevoerd. Uit deze lijst, die in 1871 door Mozes Lodewijk de Pinto werd aangetroffen onder de nagelaten papieren van zijn overleden moeder Sara Salvador (1787-1871), kunnen we opmaken dat er in de jaren 1798 tot 1802 door een zogenaamde ‘Société des amateurs’ diverse Franstalige toneelstukken werden opgevoerd waaronder Les fausses infidelités en Melanide. In die periode werden er ten minste 19 voorstellingen gegeven in het deftige huis aan de Haagse Voorhout. Uit aantekeningen die Mozes Lodewijk de Pinto in 1869 over deze toneeluitvoeringen maakte blijkt dat dit deftige amateurgezelschap voornamelijk bestond uit familieleden. Zo werd Melanide gespeeld door Judith Lopes Suasso die was getrouwd met Abraham de Pinto en werden andere rollen onder andere gespeeld door Ribca en Rachel de Pinto. De lijst met uitvoeringen en de aantekeningen van Mozes Lodewijk geven samen een boeiend beeld van het leven van een deftige Portugees-joodse familie en roepen zeer tastbaar de sfeer op van een lang verdwenen wereld. Een ander interessant specimen uit onze documentencollectie wordt gevormd door een verzameling brieven uit de jaren dertig uit Huis ter Duin, een zogenaamd kinderherstellingsoord voor stadse bleekneusjes. Met deze documenten bevinden we ons aan de andere kant van het sociale spectrum. Van de elite van Haagse sefardische joden zijn we terecht gekomen bij de kinderen van veelal arme Amsterdamse joden. Wat deze archiefstukken zo uniek maakt is dat zij een directe getuigenis vormen van een sociale groep waarvan vrijwel geen geschreven bronnen zijn overgeleverd. Het Huis ter Duin-archief bestaat uit zo’n 137 brieven door joodse kinderen en hun ouders geschreven aan de directrice van Huis ter Duin, zuster Elisabeth Cohen en aan zuster Dora Moleman, één van de verzorgsters van dit kindertehuis. Het materiaal is om verschillende redenen interessant. Allereerst vanwege het al even opgemerkte feit dat het hier gaat om een groep waar verder bijna geen geschreven bronnen van zijn overgebleven. De meeste briefschrijvers zijn afkomstig uit relatief arme buurten als de oude jodenbuurt, Amsterdam-Oost en de zogenoemde diamantbuurt. Tezamen met het archief van Ziekenzorg, waar Huis ter Duin deel van uitmaakte, vormen deze brieven een belangrijke bron voor het leven van joodse arbeiderskinderen in de jaren dertig.
De hedendaagse lezer wordt vooral verrast door de grote
dankbaarheid die er uit de brieven spreekt, en die verder lijkt te
gaan dan loutere beleefdheid. Voor de familie Garcia uit de
Amsterdamse Saffierstraat kon zelfs het verlies van een tand van hun
zoontje Max hun enthousiasme niet verminderen: Herman Mock op zijn beurt was zo dankbaar dat hij in 1935 aan Elisabeth Cohen schreef: “Als ik later ouder ben, dan zal ik, als het kan, er ook nog wel een steentje bijleggen, dat andere kinderen er ook van kunnen genieten.” Voor veel kinderen was het verblijf in Huis ter Duin de eerste keer dat zij van huis waren. Voor sommigen was dit wellicht een traumatische ervaring. De meeste kinderen lijken er echter een fijne tijd te hebben gehad. Esther Italiaander bijvoorbeeld die aan zuster Moleman schreef: “Ik verlang erg naar u en ik wou dat ik weer in de kolonie was.” De vader van de dove Sallie van der Woude schreef in 1935 aan directrice Cohen: “zoo hopen wij, dat het U tot voldoening moge strekken, indien ik U bericht, dat Sallie op zijn schoolbord, geheel spontaan schreef: de zuter allemaal lief (bedoeling: de zusters zijn allemaal lief)”. In sommige gevallen waren de kinderen helemaal niet blij weer thuis te zijn. Omstreeks 1935 schreef de aan het Sarphatipark woonachtige familie Salomon aan zuster Cohen over hun zoon Sam: “Hij vond het er zoo prettig, dat hij het niet eens lekker vond dat hij thuis was, dus een bewijs te meer dat hij het er goed heeft gehad.” En Betsy Polak van de Tugelaweg schreef in 1938:“ik heb Vrijdagmiddag nog gehuild omdat ik terug wou want het is hier zo druk.” Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de fascinerende inhoud van deze brieven. Tezamen met het archief van Ziekenzorg vormen ze een belangrijke bron die het mogelijk maakt licht te werpen op het leven van joodse arbeiderskinderen en, wellicht, tevens als historische achtergrond te kunnen dienen voor genealogisch onderzoek. Hoewel de genealogische mogelijkheden in strikte zin beperkt zijn is het, denk ik, toch de moeite waard om als genealogisch onderzoeker ons systeem te raadplegen. Behalve de twee genoemde voorbeelden omvat onze collectie uiteraard nog veel meer materiaal dat licht kan werpen op het leven van personen of families. U kunt ons publiekssysteem op werkdagen van 13.00-17.00 raadplegen in onze mediatheek. Over niet al te lange tijd zal dat ook via het internet kunnen. Tevens kunt u op verzoek vier maal per jaar een aanwinstenlijst ontvangen zodat u ook op de hoogte kunt blijven van nieuwe aanwinsten in onze documentencollectie. Als u dat wilt kunt u mailen naar mediatheek@jhm.nl. U zult in onze documentencollectie niet over iedereen iets kunnen vinden. Maar als u iets vindt kan dat iets zijn dat van hoge kwaliteit is en dat aan uw genealogische onderzoek een diepte en kleur kan verlenen die strikt genealogische bronnen u niet kunnen bieden.
■ De mens achter het archiefstuk Samenvatting:
Die Toledoth-zin is volgens sommige commentatoren een inleiding op een genealogische opsomming, maar volgens anderen is toledoth meestal zelfs een afsluitende zin, een soort colophon en géén introductie. Als afsluitende zin met een namenlijst (a verwekte b, b verwekte c, c verwekte d, enz.) komt zij regelmatig terug in Tenach. Het moge duidelijk zijn – en voor dit moment wil ik het hierbij laten – dat een stamboom in de bijbel blijkbaar beschouwd wordt als een instrument waardoor de geschiedenis van Israël en de mensheid kan worden doorgegeven. In de tijd dat ik in de leeszaal van het oude Algemeen Rijksarchief in Den Haag aan mijn proefschrift werkte werd ik dikwijls hinderlijk gestoord door een naast mij aan de tafel zittende meneer die de gewoonte had zich over de tafel heen naar voren te buigen om op luide toon een buitengemeen interessante discussie te voeren met zijn overbuurman. Het ging altijd over familieleden, hun data en beroepen. Maar hij kreeg iets triomfantelijks in zijn ogen als hij zijn overbuurman kon overtroeven met harde gegevens over familieleden die vóór 1600 waren geboren. Want dat was iets bijzonders, zo wist iedere nijver speurende sibbelaar. Ik heb voor deze lezing een aantal familiegenealogieën doorgespit – nee, niet van voren naar achteren doorgelezen -, maar eigenlijk komt het zelden tot nooit voor dat een familie haar stamboom kan terugvoeren tot die eeuw. Soms worden er wel pogingen gedaan in die tijd door te dringen, maar altijd zijn het hypothetische afstammingen en staat bij iedere naam: vermoedelijk met een of meer vraagtekens. In Ik zeg Nu, Nu. Vierhonderddertig jaar wel en wee van een Nederlandse Joodse familie door Salomon van Son (1992) bij voorbeeld wordt als stamvader een Salmon zu Meyen (Salomon von Mayen) uit Koblenz opgevoerd die in 1563 in een oorkonde genoemd wordt. De auteur zegt echter: Het is aannemelijk, maar niet onomstotelijk aan te tonen dat hij de grootvader van Salomon de May uit Metz was. Deze laatste Salomon de May, overleden in 1638, staat aan het begin van de stamreeks van de schrijver Salomon van Son. Dus ook deze genealoog heeft wel geprobeerd om zijn familie terug te voeren tot in de zestiende eeuw, maar moest ook constateren dat dit niet hard te bewijzen was. Wij, historici, beschouwden ons als de echte onderzoekers die dikwijls alleen maar last hadden van de luidruchtige speurneuzen; en laat ik het nu maar meteen zeggen, wij keken zelfs wat op hen neer. Uit het feit dat ik echter nu voor zo’ n groep genealogen sta om op hun jubileum iets over deze door zovelen met grote liefde en ijver beoefende kunde te zeggen, kunt u natuurlijk wel afleiden dat ik in de loop der jaren wel anders over genealogie en derzelver beoefenaren ben gaan denken. Volgende maand komt er zelfs een boek van mijn hand over mijn eigen stamboom uit, met de titel Familiezilver. Een nalatenschap van het burgergeslacht Leupen. Ik haast me om te zeggen dat ik niet gekomen ben om reclame voor dit boek te maken, al zal mijn uitgever, Gopher uit Utrecht, hier wellicht anders over denken. Ik moet dit boek echter noemen omdat ik daarin geprobeerd heb de betekenis van genealogie voor de geschiedenis, en in het bijzonder voor de kleine geschiedenis, de familiegeschiedenis, aan de hand van het onderzoek naar mijn eigen familie weer te geven. Nu heb ik als jongen van veertien, vijftien jaar bij toeval een paar dozen met brieven, fotoalbums en oude couranten ontdekt in het souterrain van mijn grootmoeders appartement in Rotterdam-Blijdorp. Het was omstreeks 1955 toen ik mijn eerste vondst deed. In mijn boek probeer ik de indruk die dit alles op mij maakte te beschrijven. Want bij mijn eigen ouders was geen grote belangstelling voor het eigen verleden te bespeuren, zeker bij mijn vader niet, die geheel en al opging in de actualiteit. Ik verslond als kind hopen historische kinder- en jongensboeken, van Fulco de Minstreel, Het slot op de Hoef tot het trio Paddeltje, Stuurman Aart en Schipper Wessels. Ook Het Kind van Voorne van Johan Been was een van mijn lievelingsboeken. Maar een relatie leggen tussen deze geschiedenis en mijn eigen familiegeschiedenis lag buiten mijn horizon; ik realiseerde mij niet eens dat mijn ouders ook weer ouders hadden gehad en dat die lijnen zo verder naar achteren konden worden ontrold. Als vijftienjarige werd ik echter gegrepen door de vondst daar in dat hok; het begon langzamerhand bij mij te dagen dat ikzelf ook een geschiedenis had, al was het dan een kleine geschiedenis. Ik merkte vervolgens dat mijn ouders en hun generatiegenoten, afgezien van enkele uittentreuren herhaalde anekdotes, niet veel wisten te vertellen over de generaties vóór hen en eigenlijk over het algemeen niet erg in het verleden geïnteresseerd waren. Misschien had dit ook te maken met de tijd waarin ik opgroeide: de Tweede Wereldoorlog was net achter de rug, in het centrum van Rotterdam waren nog grote lege gaten zichtbaar, een duidelijke verwijzing naar het bombardement dat de stad in 1940 had getroffen. De Moerdijkbrug lag nog in het water; wij werden, toen wij een keer direct na de bevrijding vanuit mijn woonplaats Goes naar Rotterdam gingen, met vrachtwagens van het leger van Lage Zwaluwe naar de Moerdijk gereden, vervolgens met een bootje het Hollands Diep overgezet, waar aan de andere oever weer vrachtwagens stonden te wachten om ons naar Dordrecht te brengen. Alles stond in het teken van de wederopbouw; er moest worden aangepakt, de woningnood moet worden gelenigd, de dijken op Walcheren moesten worden hersteld en verhoogd, kortom, er was geen tijd om te kijken. Nederland moest en zou immers herrijzen! Dit is allemaal heel begrijpelijk in de context van die dagen. Maar toch, het is eenzijdig en doet geen recht aan het gegeven dat ieder mens een wezen is dat met drie tijddimensies leeft: verleden, heden en toekomst. Hij kan tijdelijk een van die drie elimineren, maar op een bepaald moment komt die dimensie – in dit geval dus het verleden – onverbiddellijk terug en eist haar tol op. Ik ben er zeker van dat de grote belangstelling voor het verleden, waarmee wij nu geconfronteerd worden, hiermee samenhangt. Erkenning en verwerking van het leed in de Tweede Wereldoorlog, bewustwording van de rol van Nederland in Indonesië tijdens de politionele acties, het zijn allemaal uitingen van de tol die thans door het na 1945 zo lang onderdrukken van het verleden wordt betaald. Tot diezelfde inhaalslag behoort ook de belangstelling tegenwoordig voor het traditionele familieverband. In april 2007 verscheen er zelfs een Spiegel Special met als thema:Sehnsucht nach Familie. Die Neuerfindung der Tradition. Aangezien de familie dus weer veel aandacht krijgt, zien we ook de familiegeschiedenis opkomen. Zij is zich een vaste plaats aan het veroveren binnen de historische wetenschappen. In het zojuist genoemde tijdschrift staat een zeer gedegen artikel over de legendevorming die in en rond zoveel familieverhalen opgeld doet. Ute Planert, verbonden aan de Eberhard Karls Universtität van Tübingen, prikt alle ballonnen door die de heilige familie omgegeven: Wer heute von der heiligen Familie träumt, verweist gern auf die Vergangenheit. Damals habe es Mutterliebe, Fürsorge und Geborgenheit in der Großfamilie noch gegeben. Doch ein Blick in die Geschichte zeigt: alles Legende. Toch moeten wij ons door haar analyse niet laten afschrikken. Ik meen zelfs dat zij als puntje bij paaltje komt de petite histoire geen geweldige dienst heeft bewezen door de familieverhalen zo resoluut naar het land der fabelen te verwijzen. Ondanks haar grote gelijk in een meer globale zin, kunnen die verhalen immers een belangrijke bron voor het onderzoek van een familie zijn, al is het maar voor de beeldvorming die de familieleden er zelf over hebben. En dit laatste is uitermate belangrijk voor de mentaliteitsgeschiedenis. Kort en goed: ik houd een pleidooi voor het familieverhaal, al is het gedeeltelijk aangedikt, opgeleukt – zoals we nu zeggen. Ik ga zelfs nog verder. Uit dezelfde nostalgische motieven komen ook de vele stambomen en genealogieën voort die de laatste jaren zijn verschenen en ook in de komende jaren nog zullen worden gepubliceerd. Natuurlijk, adellijke en patricische geslachten hebben al veel eerder – vooral vanaf de achttiende eeuw - hun familiegegevens op schrift gesteld. Minder uit nostalgische gevoelens dan om zichzelf en anderen te tonen hoe aanzienlijk en belangrijk zij waren. Men deinsde er zelfs niet voor terug om af en toe geschiedvervalsing te plegen en het eigen geslacht te herleiden tot een middeleeuwse adellijke voorvader. Een berucht geval van falsificatie is de Zeeuwse regentenfamilie Van de Hooghe, die in de achttiende eeuw haar afstamming herleidde tot het beroemde middeleeuwse adellijke geslacht Van Borsele. Belangstelling voor het familieverleden was en is overigens niet meer alleen een speeltuin van de adel of het patriciaat. Ik heb in Hilversum eens op een zaterdagmorgen een hele gewone meneer op bezoek gehad die, gewapend met een aantal multo-ringbanden vol gegevens, mij duidelijk probeerde te maken dat hij afstamde van Karel de Grote. En hoewel de afstamming van een adellijke voorvader of moeder dus nog steeds meetelt, is er sinds geruime tijd dus ook de heimwee naar het verleden als drijfveer bij gekomen. Op die nog steeds toenemende vraag wordt ook commercieel ingespeeld. Er zijn professionele bureaus, zoals het Nederlands Instituut voor Genealogisch en Heraldisch Onderzoek in Zeist, die een goed genealogisch onderzoek voor u kunnen uitvoeren. Het verschil met vroeger is echter dat er nu van gewone doorsnee-families zulke geschiedenissen verschijnen, meestal in de vorm van stambomen met data van geboorten, huwelijk en sterven van de familieleden. Ik heb veel van dergelijke boeken in handen gehad, van niet-joodse en van joodse families. Van de laatste categorie bijvoorbeeld de genealogie van M. E. de Vries en B. W. de Vries, die zelfs de ondertitel A Personal Family History draagt (1990), maar eigenlijk weinig persoonlijke verhalen geeft; of de genealogie van de familie Spanjaard uit 1981[1] en de familie Winkel uit 1982. Ze behelzen bijna altijd schema’s met afstammingen, zowel alleen in de rechte lijn – idiote term trouwens - (dus via de vader en de vaders vader) als kwartierstaten, waarbij men alle voorouders probeert te traceren. Het laatste is, zoals iedere beoefenaar weet, een hels karwei. Een voorbeeld hiervan is de kwartierstaat met zeven generaties op p. 34-35 in het boekje Van Boezeman tot Denekamp van Paul Denekamp uit 1989. Dikwijls gaan die overzichten vergezeld van korte levensbeschrijvingen, met de uitgeoefende beroepen en de woonplaatsen, zoals bij de familie Kohnstamm, `a Family History’ (2002) met korte beschrijvingen van al de familieleden. Steeds vaker ziet men ook dat de levende familieleden gevraagd wordt om een beknopte beschrijving van zichzelf en van hun naasten uit een vorige generatie (ouders, ooms en tantes) te geven. Maar ook dit verschijnsel is niet nieuw. Het werd al in het begin van de vorige eeuw in praktijk gebracht in stambomen van bij voorbeeld gezeten families als De Jonge en De Savornin Lohman. Opvallend is dat de joodse stambomen veel internationaler zijn dan de niet-joodse. Joodse familes waaieren al eeuwen uit over Europa en de Verenigde Staten, en zelfs verder. Niet-joodse families blijven eeuwen lang in Broek op Langendijk zitten. Toch moet iets mij van het hart. Hoe nuttig deze naslagwerken voor het verkrijgen van eerste informatie ook zijn, ik mis de hierboven al aangeroerde verhalen die bij een familie horen, hoe subjectief en legendarisch ze ook zijn. Onmiddellijk zult u tegenwerpen dat u genealogieën kent, waarin wel zulke verhalen zijn opgenomen of dat er in uw familie gewerkt wordt aan een bundel met die familievertelsels. Beschrijft de Kroniek van het geslacht Enthoven (1991) in deel I nog alleen de oorzaak van de emigratie van de stamouders naar Nederland en de drie generaties die daarop volgden, in de Genealogie van het joodse geslacht Van der Bijl staan er naast enkele herinneringen in de categorie `Bijzonderheden’ al tweemaal echte persoonlijke herinneringen, van Esther en van Maurice Neustadt. In de familie Weinberg circuleren interessante verhalen van Bobby (Robert) Weinberg. Hij schreef die op verzoek van een van zijn kleinkinderen, nog wel de jongste, die hiervoor belangstelling toonde. Dat is natuurlijk prachtig, maar laat onverlet dat het in het algemeen toch nog weinig gebeurt. En wij, historici, hebben die speciale informatie hard nodig. Juist door het beschrijven van voorvallen uit het gewone dagelijkse doen en laten van de bevolkingsgroepen onder de elite – de midden- en lagere klassen - worden beelden en opvattingen vastgelegd die men eeuwenlang niet de moeite vond om te registreren; het was al te gewoon en platvloers. Gewone mensen waren lange tijd niet interessant. Ondertussen zijn we in een rap tempo de kennis over de direct voor ons liggende tijd, over`hoe het eigenlijk vroeger was’ aan het kwijt raken. Ik pleit niet voor een minutieus en gedetailleerde beschrijving van wat er nu allemaal op tafel kwam tijdens het middagmaal, of welke gesprekken er letterlijk gevoerd werden in de zitkuil, of het dagelijkse ommetje van grootvader en zijn hondje, waarbij grootvader niet het beestje aan de lijn had, maar het hondje zijn baasje. Ik pleit voor het optekenen van gebeurtenissen die men zich herinnert als bijzonder interessant, vermakelijk of droevig en die zo mogelijk een goed beeld van die tijd kunnen gegeven. Afgelopen vrijdagavond een week geleden waren Annejet, mijn vrouw, en ik op bezoek bij de achtentachtigjarige Riete Sterenberg-Gompertz in Marum. Mijn vrouw is een achter-achternicht van haar via Riete’ s moeder Jetty (Henriëtte Kitty) Wertheim. Jetty Wertheim is op haar beurt weer een kleindochter van de bekende Amsterdamse bankier A. C. Wertheim en diens jongste zuster Sara was een overgrootmoeder van mijn vrouw. Interessant is tussen twee haakjes dat de vader en grootvader van A. C. en zijn zuster rond 1800 winkeliers in antiquiteiten en goud- en zilverwerk in Zaandijk waren. en dat de familie Wertheim op het einde van de negentiende eeuw behoorde tot de vooraanstaande families die een belangrijke rol speelden in het economische leven van Nederland; een goede 180 jaar later werd zij opgenomen in het zogenaamde blauwe boekje (72e jaargang van Nederland’ s patriciaat). Sara Wertheim huwde (Mayer) Max Kohnstamm. Hun zoon, Philip Abraham Kohnstamm is de grootvader van mijn vrouw. Riete’ s verhaal was zo helder als glas; ze vertelde ze op een hele nuchtere, maar tegelijk ook betrokken manier; telkens kwam een vleug humor er aan te pas. Wat een verhaal! Geboren in een joods gezin, dat helemaal los was gekomen van haar joodse wortels en zelfs eerst luthers en later remonstrans was geworden, kwam haar moeder in Westerbork terecht in de barak van de gedoopten. Riete had twee zussen die waren ondergedoken, maar nooit werden gepakt, omdat zij er niet joods uitzagen. Bij haar lag dit anders. Eenentwintig maal werd zij, ook ondergedoken, aangehouden en liet men haar lopen. De tweeëntwintigste maal was het raak en belandde ook zij in Westerbork: haar joodse uiterlijk had haar verraden. Ondertussen was haar vader, ondergedoken in Amsterdam, overleden (1943); haar moeder en zij werden op transport gesteld naar Theresienstadt, maar niet spoedig naar aankomst doorgestuurd naar een vernietigingskamp, wat zovele anderen overkwam. Zij bleven als gedoopte joden tot het einde van de oorlog in Theresienstadt zitten. Ja, dit is een voorbeeld van een definitief voorbije periode. Als men maar de moeite neemt om de pen vast te pakken, er een scala van verhalen van families, kleine en grote, ontstaan die met elkaar een heel tijdvak tot leven brengen. Aan de historicus is dan later de taak om het subjectieve en het objectieve, waarheid en verzinsel, in al die verhalen te onderkennen en te scheiden. Waarmee hij overigens zijn voordeel kan doen en weer nieuwe inzichten kan halen zowel uit de bewust als de onbewust gegeven informatie. Mag ik als voorbeeld nogmaals iets over mijn eigen onderzoek zeggen? Aanvankelijk probeerde ik een geschiedenis neer te schrijven die zo objectief mogelijk moest zijn; ik sloot mezelf als deelnemer eraan zoveel mogelijk uit, kortom, ik nam zoveel mogelijk afstand tot mijn onderwerp. Nu is afstand nemen altijd de taak van een historicus; van hem wordt verwacht dat hij een overzicht kan geven, de feiten in een zinvol verband presenteert en zo mogelijk ook inspeelt op opvattingen en ideeën die zowel in de door hem beschreven tijd als in zijn eigen tijd spelen. Vooral dit laatste is honds moeilijk en bij tijden zelfs paradoxaal. Aangezien het in mijn geval een verhaal over mijn eigen familie zou worden, realiseerde ik me al snel dat het zinloos was mezelf zo krampachtig erbuiten te houden. Ik besloot om de zaken om te draaien en uit te gaan van mijn eigen beleving en groeiende inzichten tijdens het onderzoek. Die laatste overwegingen kwamen pas een jaar of vier, vijf geleden op de voorgrond, toen ik na een bezoek van een ver familielid me bedacht dat ik ergens toch die brieven, foto’ s en aantekeningen had liggen. Ik haalde ze te voorschijn en begon me te realiseren dat het verhaal dat ik wilde opschrijven uiteindelijk geënt was op mijn historische belangstelling. Ik kon dit niet negeren. Vandaar dat ik het verhaal gegoten heb in een egodocument, zou mijn leermeester Presser zeggen, in een ontdekkingstocht naar die eigen familie, beginnend in het souterrain in Rotterdam. Al terugwerkend selecteerde ik uit de stapel aantekeningen als vijftienjarige die passages die mij als apart of belangwekkend voorkwamen. Ik moet er nog bij vertellen dat ik toen, in die jaren vijftig, nog enkele bezoeken heb afgelegd bij verre oude verwanten, zoals een dochter van een zuster van mijn overgrootvader. Ik beschreef haar, haar gezelschapsdame, haar huis, en dit alles als context van de door haar aan mij doorgegeven verhalen over haar grootouders van moederszijde, mijn betovergrootouders van vaderszijde. Zo kwam er plotseling informatie over uit het begin van de negentiende eeuw en groeide mijn inzicht in haar tijdsomstandigheden, zonder dat ik exact op de hoogte van dit deel van de negentiende eeuw was. Hetzelfde gebeurde in feite ook die vrijdag bij ons bezoek aan Rite. Terug naar mijn ontdekkingswoede. In de dozen uit het hok zat veel materiaal, waarmee ik zelfs vijf jaar geleden nog nieuwe onderzoekingen kon doen. Mijn overgrootvader was jong gestorven en liet een tweede echtgenote met vijf kinderen uit een eerste huwelijk en een en een tweede op komst uit het tweede huwelijk praktisch onverzorgd achter. Hij was rijksambtenaar geweest, commies tweede klasse, in Goes. Weduwenpensioenen waren er nog niet, die zouden nog zo’ n twintig jaar op zich laten wachten. Er zat niets anders op dan de kinderen uit het eerste huwelijk in het weeshuis van Goes onder te brengen. De grootvader van de kinderen – mijn betovergrootvader - kwam over uit Middelburg en belastte zich met deze moeilijke taak. Voor de kinderen – onder wie mijn grootvader – was dit, ook al hadden zij het er niet zo slecht als men wel eens denkt, een weinig vreugdevolle periode. Een oudere zuster van mijn grootvader werd na zeven jaar door een tante uit het huis gehaald en door haar verder opgevoed, de drie jongens bleven achter. Maar hoe droef ook, voor mij bleek deze weeshuisgeschiedenis een bron van nieuwe en mij lang volkomen onbekende informatie. Van het bestuur van het weeshuis, van de vader en moeder zijn verslagen bewaard, waarin zo niet van dag tot dag, maar wel van week tot week het wel en wee van wat er achter de weeshuismuren voorviel, werd beschreven. Die zijn terecht gekomen in het Goese gemeentearchief. Ik heb daar tot kort vóór deze zomer nog allerlei interessante zaken uit gehaald. Aangezien in het voortreffelijke artikel van mevr. Spaans-van der Bijl, `Joods-genealogisch onderzoek’ in de bundel: Gids voor 0nderzoek naar de geschiedenis van de joden in Nederland uit 2000 wel zeer veel bronnen genoemd worden, maar, afgezien van de weeskamers van vóór 1800, niet de negentiende- en twintigste-eeuwse weeshuis–archieven specifiek aan bod komen, mag ik hier niet genoeg naar deze archieffondsen verwijzen. Hebt u voorouders die in de negentiende en twintigste eeuw ooit in een joods weeshuis hebben gezeten: grijp uw kans, u komt dichter op de huid van uw voorouders dan u ooit voor mogelijk had gehouden. Een ding moge duidelijk zijn: hoe lastiger en `stouter’ uw voorouders waren, hoe vaker zij op het papier belandden. Nu heeft onze onvolprezen Nederlandse taal termen tot haar beschikking die onze relatie met onze voorouders tot in de vijfde generatie na ons aanduiden: we kunnen spreken van ouders, grootouders, overgrootouders, betovergrootouders (oudovergrootouders) en betoudovergrootouders. Ik meen dat genealogisch onderzoek er alles aan wint als die relatie of band tussen de beschrijver (u en ik) en de beschrevenen zichtbaar kan worden. Na vijf generaties houdt het evenwel op; de relatie lijkt dan zo ver weg te liggen, dat zij niet meer benoemd kan worden. Dit betekent dat een band met die voorouders van de zesde en nog oudere generaties eigenlijk niets meer voorstelt; ja, zelfs met de ouders van de vierde en vijfde generatie wordt het toch al moeilijk van een band te spreken. Ook drogen de gegevens steeds meer op; de verhalen verdwijnen en over blijft het dorre staketsel van de naakte feiten van geboorte, trouwen en dood en eventueel van beroepen. Om toch dan een verhaal te blijven vertellen, moet men zijn toevlucht nemen tot de historische context, waarin die vroegere generaties leefden. Dus wordt de algemene geschiedenis steeds belangrijker en vervluchtigt de persoonlijke betrokkenheid, kortom het subjectieve egodocument maakt allengs plaats voor een meer objectieve geschiedenis. Daarin worden de voorouders tot namen die een keer genoemd worden. `Anonieme namen’ noem ik ze. In veel genealogieën wordt trouwens uitsluitend die methode gevolgd. Ik pleit ervoor, om voor zover mogelijk, de directe generaties vóór ons in een meer subjectieve vorm vast te leggen, dus als egodocument: uw en mijn receptie van de verhalen die over hen bestaan, direct verteld of uit de tweede hand gehoord. Op die manier komt ook een historische context tot leven, zij is alleen veel meer gepersonaliseerd. Natuurlijk mogen de harde feiten, zoals geboorte, huwelijk en overlijden en loopbaan niet ontbreken, maar zij kunnen dikwijls of in het verhaal ingevlecht worden of als bijlage achterin het boek worden opgenomen. Pas als de verhalen zijn opgedroogd is het zinvol om de algemene historische context meer aandacht te schenken. Wie zich met familiegeschiedenis bezig houdt geeft zich op een of andere manier rekenschap van de plaats die hij of zij inneemt in de tijd en in de reeks van familieleden van wie hij het voorlopige sluitstuk is. Hij realiseert zich dat hij hier staat omdat al die mensen vóór hem aan zijn bestaan hebben bijgedragen. Hij heeft dus eigenlijk het leven aan hen te danken. Dit leven wordt als des te belangrijker ervaren als er gaten in die keten der geslachten zijn gevallen, als voorvaders en voormoeders op onnatuurlijke wijze aan hun eind zijn gekomen, als ouders of grootouders in de beleving nooit gekend zijn. De keten is wel niet verbroken, maar de last van de omgekomen voorouders kan de overlevenden blijven achtervolgen. Het verzamelen en opschrijven van zoveel mogelijk van hun verhalen kan helpen de herinnering aan hen levend te houden en tegelijk die gaten een klein beetje opvullen. Ik zei ook, dat de schrijver van zo’ n stamboom het voorlopige sluitstuk is. Want bij het schrijven moet ook bedacht worden dat de tekst voor volgende generaties leesbaar en begrijpelijk is. De eerste generatie na de schrijver is doorgaans niet erg geïnteresseerd in genealogie, in familiegeschiedenis. Maar met het klimmen der jaren kan dit veranderen en heel dikwijls gebeurt het ook metterdaad. Laat u dus niet ontmoedigen als uw speurtochten geen directe weerklank vinden onder uw kinderen of kleinkinderen. Deze lezing ging over uw en mijn onderzoek, maar eigenlijk gaat het over de keten van opeenvolgende generaties, over de toledoth, die ordening aanbrengt, maar vooral die wel een geschiedenis afsluit, maar helend werkt en aldus ook ruimte in de toekomst creëert. Daardoor werkt zij scheppend, voor de schrijver en ook voor degenen die na hem zijn verhalen in handen krijgen. Piet Leupen [1] Tijdens de discussie bleek overigens dat de familie Spanjaard naast haar stamboom al decenniën een familieblad uitgeeft, waarin zoveel mogelijk verhalen worden opgenomen.
|
| Naar de hoofdpagina Nederlandse Kring Joodse genealogie |