
We zijn vertrokken
Het Jaarboek 2021 van de Vereniging Oud-Dordrecht behandelt de Jodenvervolging in Dordrecht tijdens de bezetting. Een onderwerp dat tot op heden niet grondig was onderzocht of beschreven. De auteur Kees Weltevrede verzamelt al vele jaren alles wat hierover te vinden is, met als doel daar zijn proefschrift aan te wijden. Dat onderzoek heeft geleid tot nieuwe inzichten. Met name de archieven van de Dordtse politie en die van het gemeentebestuur bevatten veel tot nu toe onbekende gegevens.

De Jodenvervolging in Dordrecht kan in drie perioden worden ingedeeld. In de eerste jaren (1940-1941) werden de Joden geïdentificeerd en geregistreerd. Wie was Joods en wie niet? Van degenen die als Jood werden aangemerkt, werden maatschappelijke activiteiten steeds verder ingeperkt. Zij werden ontslagen en de toegang tot steeds meer plekken werd hen verboden. Tevens werd in deze eerste periode gekeken naar Joodse vermogens, met als einddoel deze te onteigenen. Deze eerste tijd wordt voelbaar gemaakt met citaten uit het Oorlogsdagboek van de Dordtse advocaat Jaap Burger, waarin hij met een scherpe blik commentaar geeft op de ontwikkelingen.
In de tweede periode (1941-1943) werden de Joden opgepakt en afgevoerd naar Kamp Westerbork in Drenthe. Aanvankelijk was nog onbekend wat dit inhield; er werd gesproken over doorplaatsing naar ‘werkkampen’ in Duitsland. In werkelijkheid waren dit concentratiekampen, waar bijna iedereen op gruwelijke wijze gedood werd. De achtergelaten huizen van de Dordtse Joden werden verkocht, of ter beschikking gesteld aan onduidelijke tussenpersonen. In deze periode ontwikkelden bepaalde leden van de Dordtse politie zich tot echte ‘Jodenjagers’.
Vrijwel alle Joden die niet op tijd waren gevlucht of ondergedoken, werden gearresteerd en gedeporteerd. Het resultaat was, dat er in Dordrecht eind 1943 geen Joden meer leken te zijn. Een aantal van hen was echter ondergedoken, meestal bij particulieren in huis. Deze derde periode (1943-1945), de tijd van de onderduik, duurde ongeveer 2½ jaar. Voor de typering van deze tijd is gebruik gemaakt van een drietal dagboeken van Joodse onderduikers in Dordrecht. Hierin vinden we de beschrijving van hun dagelijkse situatie, tot aan de bevrijding in mei 1945. Het is tamelijk uniek, dat er maar liefst drie Dordtse dagboeken beschikbaar zijn; uit heel Nederland zijn slechts enkele van deze egodocumenten overgeleverd.
Als ‘illustratie’ bij de geschiedenis van de Jodenvervolging in Dordrecht, zijn in het boek acht verhalen opgenomen, waarin wordt verteld hoe de vervolging uitwerkte op individuele personen en families. Deze aangrijpende verhalen zijn opgesteld door de journalist Gert van Engelen in het kader van het project Stolpersteine Dordrecht, waarbij in de stoep voor het woonadres van weggevoerde Joden een herinneringssteentje wordt ingemetseld.
Deze tekst is overgenomen van de website van Vereniging Oud-Dordrecht
Brieven burgemeester Dordrecht irriteren
Gijs Rijsdijk nog altijd

Ze zijn al zo’n tachtig jaar oud, maar Gijs S. Rijsdijk uit Woerden ergert zich er nog onverminderd mateloos aan: de brieven die Jacob Bleeker, Dordrechts burgemeester in oorlogstijd, schreef aan de Duitse autoriteiten. Telkens beginnen die met dezelfde zin – dat het hem “een eer is” om het navolgende mee te delen. De publicatie van We zijn vertrokken, De Jodenvervolging in Dordrecht 1940-1945 roept die ergernis weer op.
Kleinkind
Gijs Rijsdijk is een kleinkind van Isaäc Blitz en Aaltje Blitz-Kopee, allebei vermoord in Auschwitz op 7 december 1942, hij 64 jaar oud, zij 63. Zij zijn z’n grootouders van moederszijde. In totaal kregen Isaäc (Amsterdam, 13 november 1878) en Aaltje (Amsterdam, 29 juli 1879) zeven kinderen. Op de Stolpersteinesite staan twee verhalen gewijd aan de familie Blitz, nummer 34 en 204.
Ter duiding: behalve een nazaat van de familie Blitz is Rijsdijk, geboren in Dordrecht op 23 augustus 1948, al vanaf zijn 17de jaar actief in de vakbeweging. Hij begon in 1962 als metselaar, hoofdzakelijk arbeidend in Dordrecht, en werd na 25 jaar in 1987 bestuurder van de Bouw- en Houtbond FNV. Eerst in de regio Noord, later opereerde hij als landelijk bestuurder vanuit het hoofdkantoor in Woerden. Voor zijn vakbondswerk verhuisde hij van Dordrecht naar Drachten en in 1992 naar Woerden, waarna hij in 2019 met pensioen ging.
Zijn opa en oma, Isaäc en Aaltje, kregen zeven kinderen. Van hen leeft niemand meer. Drie dochters hebben de oorlog overleefd, zij waren allen gemengd gehuwd. Isaäc was enig kind. Aaltje had nog zes broers en zussen, van wie er niet een de oorlog heeft doorstaan. Dit allemaal ter inleiding: “U begrijpt nu misschien waarom het onderwerp (de Jodenvervolging) mij bezighoudt”, verklaart Rijsdijk, 72 jaar inmiddels.
Jaarboek
Onlangs verscheen het Jaarboek 2021 van de Vereniging Oud-Dordrecht, hoofdzakelijk geschreven door de historicus drs. Kees Weltevrede, met bijdragen van de journalist Gert van Engelen. Beiden zijn lid van de Dordtse werkgroep Stolpersteine. Rijsdijk heeft het boek, dat als onderwerp de Jodenvervolging in Dordrecht heeft, in bezit. De uitgave liet Rijsdijk niet onberoerd, als nabestaande van joodse inwoners van Dordrecht. Hij schreef de auteurs een e-mail. Hem moet iets nodig van het hart.
In het boek, meldde Rijsdijk, wordt op bladzijde 177 in een voetnoot een brief van burgemeester Bleeker genoemd, en deels geciteerd. Maar de brief zelf is niet afgedrukt en dat bevreemdde hem.
Ontslag
Gijs Rijsdijk vindt de aanhef van die brief namelijk “nogal schokkend”. Bleeker schrijft op 9 oktober 1941 (foto)aan de geadresseerde (de Minister van Staat, in casu de commissaris der provincie Zuid-Holland), dat hij “de eer heeft hieronder een opgave te verstrekken van de personen van Joodschen bloede, die uit den dienst van de gemeente Dordrecht of uit het bestuur of den dienst van privaatrechtelijke lichamen zijn ontslagen.”
Bleeker somt dan elf mensen op, die allemaal een joodse achtergrond hebben.
In twee andere brieven kwam Rijsdijk hetzelfde tegen. Op 16 juli 1940 bijvoorbeeld (foto), aan de heer Minister van Staat, ofwel de commissaris in Zuid-Holland, schrijft Bleeker dat hij “de eer heeft Uwe Excellentie mede te delen, dat op 6 juli j.l. door de bevoegde Duitsche autoriteit in hechtenis is genomen de heer Salomon Leo Jacob van der Sluis”. Die wordt ervan beschuldig het vrouwelijk personeel van de Hema in Dordrecht, waarvan Van der Sluis de directeur is, te hebben aangeraden niet met Duitse soldaten uit te gaan of met hen te spreken.
En op 29 juni 1942 (foto) heeft Bleeker weer “de eer om het Rijksbureau voor oude materialen en afvalstoffen in Den Haag mede te delen dat hij er geen bedenkingen tegen heeft om Isaac Blitz, een “kleine handelaar in oude materialen en afvalstoffen”, een vergunning te verlenen − “tenzij het feit, dat Blitz een Jood is, bezwaar oplevert”. Dit gaat dus over de opa van Gijs Rijsdijk. Twee van de drie brieven zijn afgedrukt bij de desbetreffende verhalen.
Medeleven?
Steeds benadrukken dat het hem een eer is – Rijsdijk gruwt ervan. “Het stoorde me zeer, ook voor een burgemeester in oorlogstijd.” Hij wijst erop dat twee van de ontslagen joden, Rebekka de Roode en Isidor van Huiden, nota bene in de raad hebben gezeten.
En laat Bleeker soms in de brieven merken dat hij “enig medeleven heeft” met de betrokken ontslagen? Geenszins. Rijsdijk: “De brieven ontberen zo’n toon.”
Rijsdijk vindt dat Bleeker destijds gewoon had “kunnen nalaten te starten met dat het hem een eer” is. Hij had er bijvoorbeeld kunnen verwijzen naar orders die hij had gekregen om de gevraagde gegevens aan te leveren. “In ieder geval had hij een tekst kunnen kiezen waardoor het herhaalde gebruik van dat het hem een eer is, vermeden kon worden.”
Dat is niet gebeurd, en dat irriteert Rijsdijk, ook nog eens omdat Bleeker nadien is uitgeroepen tot ereburger van Dordrecht.
“Misschien”, oppert Rijsdijk, “kunnen deze gegevens het beeld van de heer Bleeker bijstellen.” Hij is benieuwd of er brieven zijn of andere gegevens waaruit “mededogen en waardering” van Bleeker blijken, het tegendeel dus van de beeldvorming die nu oprijst uit de drie brieven. En of Bleeker ergens “afstand neemt” van de Duitse maatregelen.
Bovenstaand verhaal is oorspronkelijk verschenen op de website Stolpersteine Dordrecht…